IN THE FIELD  
Maintenance Magazine 140 – juni 2018

Klaar om uw safetykennis aan de test te onderwerpen ?

Safety kwam het laatste decennium meer dan terecht op het absolute voorplan. Ondanks de internationalisering en de snelle vlucht van de techniek meeblijven met de geldende regels, normen en standaarden… Het is niet evident. Pilz daagde een aantal klanten en ons uit voor een realiteitstoets.

Er werd gewerkt rond drie thema’s: CE-markering, LoTo en werken aan een draaiende machine. Telkens kregen de deelnemers een caseverhaal voorgeschoteld. Vervolgens doorliepen ze in groepen een aantal veiligheidsvragen om tot een consensus te komen. Dat leidde tot heel wat interactie en animo tussen de deelnemers. Vooral twijfelgevallen leverden stof voor discussie. Zelfs nadat de specialisten van Pilz de correcte antwoorden gaven, ging de discussie soms gewoon door. Kortom: veiligheid is niet altijd even duidelijk. Verschillende interpretaties van de wetgeving zijn soms mogelijk.

CE bij samenbouw

Jan Franck, safety systems engineer bij Pilz, lichtte de CE-markering toe bij de samenbouw van machines. In het voorbeeld zagen we een nieuwe productielijn (zie afbeelding 1) die bestaat uit verschillende onderdelen met diverse achtergronden. De eeuwige vraag: wie is verantwoordelijk voor de CE-markering?

In Europa zijn er twee soorten wetgeving: de economische en de sociale wetgeving. De eerste is van toepassing op de fabrikant en bevat de exacte vereisten. De sociale wetgeving is van toepassing op de gebruiker en bevat de minimumvereisten. De economische wetgeving impliceert dat een fabrikant, die een machine wil leveren in Europa, in elk land aan dezelfde vereisten voldoet. De sociale wetgeving daarentegen kan verschillen in elk land. Om de conformiteit van zijn machine aan te tonen, moet de fabrikant zijn machine CE laten verklaren. Helaas geeft dit geen enkele zekerheid over de veiligheid van de machine.

Principewerking CE

Eerst en vooral moet het werkingsgebied van de machine beschreven worden. Wat doet de machine, waar begint ze en stopt ze, wie zal ermee werken, hoe wordt ze gereinigd en aan welke normen moet ze voldoen? In de tweede stap moet het toestel veilig gemaakt worden met een risicobeoordeling, de maatregelen oplijsten en uitvoeren en tenslotte valideren. Maar hier komen enkele heikele vragen naar boven. Kunt u ze correct beantwoorden?

Stelling 1

“Mijn machine is te oud, die heeft geen CE meer nodig.” Antwoord: JA, MAAR.

Alle machines die voor 01/01/1995 op de markt gebracht zijn, moeten voldoen aan de Arbeidsmiddelenrichtlijn deel 1. De machines die nà deze datum op de markt kwamen, moeten ook over een CE beschikken. Elke werkgever had tijd tot 01/01/1997 om zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving. Daar komt bij dat de CE moet hernieuwd worden als er een fundamentele wijziging in de machine aangebracht wordt, meer bepaald als uit de risicobeoordeling blijkt dat een risico is toegenomen.

Stelling 2

“Een transportband, die aangekocht wordt zonder aandrijving, moet geen CE hebben.” Antwoord: CORRECT.

Dit is een zogenaamde ‘onvoltooide machine’, waarbij de sturing en de aandrijving ontbreken. Deze machine kan dus niet op zichzelf werken en hoeft daarom geen CE. Wel is een inbouwverklaring vereist. Pas als er een aandrijving op gemonteerd wordt, moet de machine CE-conform zijn.

Stelling 3

“Een fabrikant van buiten de EU moet een lokale vertegenwoordiging of verdeler hebben.” Antwoord: NEE.

Dit is een vaak voorkomende misvatting. Een fabrikant moet volgens de wetgever enkel ‘een continue en stabiele activiteit binnen de EU uitoefenen’. Er hoeft dus in principe geen enkele vorm van fysieke aanwezigheid te zijn in de EU.

Lock Out Tag Out

In het tweede luik kwam veiligheidsexpert Martine Mattheys het concept LoTo (Lock Out Tag Out) voorstellen, waarbij men bij onderhoudswerk aan de machine de energiebronnen op een zekere manier moet afsluiten en dit ook aangeeft met tags. Het overgrote deel van ongevallen aan machines is te wijten aan contact met energiebronnen. Daar wil LoTo paal en perk aan stellen.

Er staat eigenlijk weinig specifieks over LoTo in de wetgeving. In de Machinerichtlijn (sinds 1995) bijvoorbeeld staat dat elke energiebron in een machine moet kunnen afgeschakeld en afgesloten worden. De restenergie moet ook kunnen gedissipeerd worden. De Arbeidsmiddelenrichtlijn wil dat het personeel, dat aan de machine werkt, in staat moet zijn om de energiebron te ontkoppelen. Er wordt in beide richtlijnen dus geen specifieke manier opgegeven hoe de afschakeling exact moet gebeuren. De nog niet geharmoniseerde norm ISO 14118 gaat wel een stuk dieper in op deze materie. Deze norm heeft twee facetten: enerzijds moet men de taken, die een machine uitvoert, oplijsten en vervolgens per taak een risicoanalyse uitvoeren. Bij de energievormen is het belangrijk àlle risico’s in kaart te brengen. Elektrische, hydraulische, pneumatische energie en stoom zijn meestal duidelijk, maar er zijn ook minder duidelijke risico’s, zoals zwaartekracht en mechanische restkrachten. Belangrijk is ook dat de restenergie afgevoerd wordt, zoals heet water bij het uitschakelen van stoom.

De vitale vijf

Een belangrijk concept in LoTo is ‘de vitale vijf’: disconnect, measure, safety lock, earthing en fencing. Toegepast op een elektrische installatie, betekent dit: de installatie onderbreken, vervolgens meten of de stroomsterkte inderdaad nul is, dan de afsluiting vergrendelen zodat niemand ze weer onverhoeds kan inschakelen, en afsluiten met aarden en afbakenen.

Stelling 4

“Een contractor is verplicht om in uw bedrijf de LoTo procedure te volgen.” Antwoord: CORRECT.

De LoTo-procedure wordt ingesteld door het bedrijf waarin de contractor werkt en die laatste is verplicht om de LoTo-procedure te volgen. Het bedrijf moet hem/haar uiteraard voldoende informatie geven rond de te volgen procedure.

Stelling 5

“Bij een ploegwissel moet de nieuwe ploeg eerst haar eigen slot hangen voor de oude ploeg haar slot mag wegnemen.” Antwoord: CORRECT.

Er moet altijd continuïteit zijn in de bescherming om te voorkomen dat een tijdskloof tussen de oude shift en de nieuwe shift kan leiden tot een veiligheidsprobleem.

Werken aan een draaiende machine

Het voorbeeld van een vulmachine werd gegeven. De EN 12100 schetst de voorwaarden om dit op een veilige manier te doen. Een eerste zaak is zorgen dat alle andere bedrijfsmodi uitgeschakeld zijn. Als je aan het overbruggen bent, dan mag je enkel aan het overbruggen zijn. Zo kan de machine niet automatisch opstarten.

Dat kan in de praktijk met een keuzeschakelaar die een bepaalde modus instelt. Let wel dat deze enkel bediend mag worden door de personen waarvoor hij bedoeld is. Het kan bijvoorbeeld dat enkel een technieker een bepaalde modus mag gebruiken. Het gebruik moet dan zo afgestemd worden dat enkel hij/zij effectief de keuzeschakelaar op die modus kan zetten.

Belangrijk is ook het concept ‘verminderd risico’. Hierover bestaan nogal wat misvattingen. Velen denken dat een verlaagde snelheid de enige vorm is om die te bereiken, maar dat is niet het geval. Er zijn applicaties waarbij een verlaagde snelheid zelfs helemaal niet resulteert in minder risico. Andere mogelijke risicoverlagende maatregelen: het reduceren van het aantal toegangen tot een machine, een lokale zonering instellen of maar één beweging per keer laten doorgaan. Daarnaast zijn er nog tientallen andere mogelijkheden. In de meeste gevallen is een combinatie van enkele van deze maatregelen de meest efficiënte oplossing. Denk dus verder dan aan een snelheidsverlaging.

De laatste voorwaarde is het voorkomen dat de machine plots automatisch weer start. Een groeiend probleem in een automatiserende omgeving, waarbij bijvoorbeeld sensoren automatisch een beweging starten. In deze optiek blijft de noodstop een belangrijk element. Die mag ‘nooit’ overbrugd worden. Als iemand een noodstop ziet, dan moet hij actief zijn.

Stelling 6

“Ik wil de ‘span of control’ van een noodstop verminderen. Dat mag, want ik mag het bereik van een noodstop wijzigen” Antwoord: CORRECT.

Al zijn daar wel zeer strenge voorwaarden aan verbonden. Als er één ding is dat een noodstop niet mag doen, dan is het verwarring creëren. Als de ‘span of control’ niet alles omvat, moet dit duidelijk aangegeven worden op de noodstop en op de installatie. Ook de documentatie moet aangepast worden aan de wijzigingen. Het moet ten allen tijde duidelijk zijn voor de gebruiker wat de gevolgen zijn als hij op een noodstop drukt. Over wijzigingen aan noodstoppen moet in elk geval àltijd goed nagedacht worden. In de praktijk is het eigenlijk eerder af te raden. Maar theoretisch kan het dus wel.

Stelling 7

“Ik mag een beveiliging overbruggen om te werken aan een machine”. Antwoord: JA, ALS.

De voorwaarde is hier dat je de juiste combinatie van risicoreducerende maatregelen treft. Een gereduceerde snelheid is onvoldoende en is slechts één van de mogelijke maatregelen. In bepaalde gevallen heeft een gereduceerde snelheid zelfs geen invloed op het risico. Andere mogelijke risicoreducerende maatregelen zijn bijvoorbeeld de modusselectie en het uitschakelen van andere bewegingen. Let wel dat een noodstop géén beveiliging is en nooit mag overbrugd worden. <<

Door Sammy Soetaert